Daily Pop Up

Gentse Feesten en Pelgrimstafel in Sint-Julianusgasthuis erkend als immaterieel erfgoed

1 juli2021

DEPARTEMENT CULTUUR, JEUGD EN MEDIA

PERSBERICHT

De Vlaamse minister van Cultuur  plaatsttweenieuwe elementen opdeInventaris Vlaanderenvan het Immaterieel Cultureel Erfgoed: de Gentse Feesten en de Pelgrimstafel in het Sint-Julianusgasthuis in Antwerpen.

DeInventaris Vlaanderenvan het Immaterieel Cultureel Erfgoedgeefteen overzicht van ons niet-tastbaar erfgoed: onze kennis, gewoontes, gebruiken en praktijken die ‘geborgen’ worden. Borgen is zorgen: het is bewust actie ondernemen om mensen kennis te laten maken met het erfgoed zodat nieuwe generaties zin krijgen om eraan bij te dragen.Deminister van Cultuur voegtnutweenieuwe elemententoe aan die Inventaris:deGentse Feestenen de  Pelgrimstafel in het Sint-Julianusgasthuis.

De Gentse Feesten: een van de grootsteculturelevolksfeesten in Europa

De Gentse Feesten zijn een van degrootsteculturelevolksfeesten in Europa. Elk jaar in juli met uitzondering van de coronajaren – wordt de Gentse binnenstad tien dagen lang één groot feestterrein. De eerste Feesten vonden plaats in 1843, toen het stadsbestuur besloot om alle bestaande feesten samen te voegen tot “eenejaerlykscheGemeente Feest.Op die manier wou de burgerijhet werkverzuim door de talrijke wijkfeesten en kermissen indammen.Na de wereldoorlogen en met de opkomst van nieuwe vrijetijdsmogelijkheden in de jaren 50 en 60 raakten de feesten in het slop.

Eind jaren 60werdende Gentse Feesten,onder impuls van culturele figuren zoals beeldhouwer Walter De Buck, nieuw leveningeblazen. Met een gevarieerd,volksencreatief aanbod van onder andere volksmuziek, jazz, mime en dans starttede heropleving van de Feesten. Door de eigentijdse aanpak transformeerden de Feesten de volgende decennia tot het succesverhaal dat ze nu zijn.

De Gentse Feesten is vandaag een spectaculair evenement met een diverse activiteitenwaaier datjaarlijks1,5 miljoen bezoekers trekt.Met de erkenning als immaterieel cultureel erfgoed moedigt de Vlaamse minister van Cultuur de stad en de organisatoren aan om de Gentse Feestenals collectieve en diverse cultuurbeleving op een duurzame wijze verder uit te bouwen.

Schepen van Evenementen & Feesten Annelies Storms: “Ik ben heel fier op de erkenning van de Gentse Feesten als immaterieel cultureel erfgoed. Het is een schouderklopje en blijk van waardering voor iedereen die zich al jaren met hart en ziel inzet voor de Gentse Feesten, ons cultureel volksfeest. De Gentse Feesten zitten in het DNA van de Gentenaars, velen groeien ermee op en hebben de goesting en intentie om hun Feesten een sterke toekomst te geven.”

Pelgrimstafel in het Sint-Julianusgasthuis: symbolisch avondmaal voor bejaarden

Elk jaar wordt in het Sint-Julianusgasthuisin Antwerpen een Pelgrimstafel georganiseerd.Op Witte Donderdag wordt de tafel in de kapel gedekt en 's avonds worden twaalf alleenstaande bejaarden uitgenodigd om samen tedineren. Er worden enkel visgerechten geserveerd, want het is vastentijd.Het aantalgenodigdenis symbolischenverwijst naar de twaalf apostelen en het LaatsteAvondmaal.De traditie is eeuwenoud. Volgens de legende vindtzehaar oorsprong in de 16e eeuwtoeneen kapiteinvan het Spaanse bezettingslegerhet gasthuiseengeldsomnalietom arme lieden een maaltijd te schenken.

Het delen van eten is een teken van barmhartigheid en naastenliefdedathetSint-Julianusgenootschapook in deze tijden wilbenadrukken.De Pelgrimstafel herinnert er ook jaarlijks aan dat er vandaag de dag nog veel armoede en eenzaamheid is.

Het Sint-Julianusgasthuisis een van de oudste gebouwen inAntwerpenen herbergt verschillende historische objecten enrelikwieën.In de kapelwaar de pelgrimstafel wordt gedekt is ook debefaamdekunstgalerij De Zwarte Panter gehuisvest. Op die manier brengt de Pelgrimstafel in het Sint-Julianusgasthuisonroerend, roerend en immaterieel erfgoed samen. De traditieisduidelijkstevig geworteld in het verledenmaar blijft ook in het heden en de toekomst maatschappelijk relevant.

Vlaams minister van Cultuur: "De Gentse Feesten en de Pelgrimstafel in het Sint-Julianusgasthuis zijn twee unieke voorbeelden van immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen. Samen geven ze ook perfect de diversiteit weer van het levend erfgoed in onze regio, daarom wil ik beide graag officieel erkennen met een plaats op de Inventaris Vlaanderen."

---

Heeft u vragen voor het kabinet van Vlaams minister van Cultuur Jan Jambon? Neem dan contact op met woordvoerder Olivier Van Raemdonck via olivier.vanraemdonck@vlaanderen.be of 0470 99 91 01.

Heeft u vragen voor het Departement Cultuur, Jeugd en Media? Neem dan contact op met Mattijs Deraedt, adjunct-woordvoerder van het Departement Cultuur, Jeugd en Media, via mattijs.deraedt@vlaanderen.be of +32 (0)2 553 42 89.

Heeft u vragen in verband met de Gentse Feesten? Neem dan contact op met Daan Nelen, woordvoerder van Schepen van Evenementen & Feesten Annelies Storms, via daan.nelen@stad.gent of 0479 31 22 51.

Heeft u vragen voor het Sint-Julianusgasthuis in Antwerpen? Neem dan contact op met Christophe Coen, lid van de Koninklijke vzw Sint-Julianusgasthuis, via c.coen@dyck.be of 0486 46 13 48.

Hertog Filips de Goede van Bourgondië vaardigde als eerste verordeningen uit om openbare bedelarij te reglementeren. In 1475 droeg hij een magistraat het financieel beheer op van ziekenhuizen, gasthuizen en de Heilige - Geesttafels. Zo werd een eerste stap gezet naar de centralisatie van de "openbare onderstand". Filips de Schone en keizer Karel volgden zijn voorbeeld. In 1 506 werd een eerste edict uitgevaardigd tegen de bedelarij, uitgeoefend door gezonde lui. In 1508 hadden alleen nog zieken en kreupelen het recht te bedelen. Overtredingen werden vervolgd.
Dergelijke politiemaatregelen volstonden uiteraard niet om de problemen aan te pakken. De liefdadigheidsinstellingen, beheerd door de geestelijkheid, dienden op een andere manier georganiseerd te worden met uitgebreide hervormingen van de openbare onderstand die vanaf 1531 overal in de Nederlanden werden doorgevoerd. De uitgebreide bevoegdheid van het gemeentelijk bestuur en de toenemende macht van een rijke, gecultiveerde burgerij speelden in het voordeel van een gemeentelijk beheer van het welzijn. Zodoende kreeg Antwerpen in 1521 een bureau voor niet - kerkelijke liefdadigheid. Het stuurde "huysmeesters" op huisbezoek bij de armen.
Het beheer van het Sint-Julianusgasthuis werd toevertrouwd aan vier aalmoezeniers van de Kamer van de Huisarmen opgericht in 1458. Dit was de voorloper van het latere OCMW. Zij ontving in 1540 het beheer over al de caritatieve fondsen samengevoegd in een "gemene beurse". Dit stuitte op heel wat particulier verzet vermits het stadsbestuur verzocht om bepaalde categorieën bedevaarders de toegang tot het gasthuis te ontzeggen.
Daarnaast beheerden de aalmoezeniers instellingen voor wezen, vondelingen, bejaarden en krankzinnigen. De Armenkamer had een voortdurend gebrek aan financiële middelen die de aalmoezeniers persoonlijk dienden aan te zuiveren. De arme bedevaarders hadden hier bijzonder onder te lijden en beschikten uiteindelijk over een strozak met een onderkomen voor één nacht.
Tijdens de godsdienstoorlogen werd het gasthuis verplicht onderdak te verschaffen aan pestlijders en Spaanse soldaten.
Het verzet tegen de Spaanse overheersing en de Tachtigjarige Oorlog deed de armoede nog toenemen waardoor de stichting nog meer in financiële moeilijkheden kwam. De aalmoezeniers stuurden een verzoek naar de overheid met de vraag de beheerskosten van het gasthuis op zich te nemen.
Aan deze ellende kwam op 4 april 1584 verandering toen Knobbaert en de Armenkamer het bestuur van het gasthuis overnamen. Het bestuur werd toevertrouwd aan een huisbewaarder, ook "ijzeren knaep" of "cipier" genoemd die onder gezag stond van de aalmoezeniers en toezicht uitoefende over de bedelaars. Hij had het recht bedelaars, die niet in het bezit waren van een penning, in de gevangenis of"de put" te gooien. Hij begeleidde de aalmoezeniers op hun huisbezoeken en bracht hen 's avonds veilig terug naar hun woning.
Terwijl vroeger pelgrims uitsluitend uit vroomheid hun bedevaartstocht maakten, werden nu ook misdadigers bij wijze van boetedoening op bedevaart gestuurd. Op deze wijze wilde de kerk hooggeplaatsten straffen die als misdadigers buiten het bereik van de rechterlijke macht bleven. Zo gebruikte de kerk de "strafrechtelijke bedevaart" als laatste wapen waarbij vrome pelgrims samen met criminelen op bedevaart gingen. Dat veroorzaakte spanningen waardoor aartshertogAlbrecht in 1618 een edict uitvaardigde waarbij veroordeelden niet langer werden toegelaten tot het gastenverblijf.

vorige - inhoud - volgende